Culemborg

Over Culemborg en delen van haar geschiedenis heeft het geschiedkundig genootschap AWK een serie zogenaamde Voetnoten uitgegeven die vaak kort en bondig heel interessante onderwerpen belichten, onder meer over meerdere onderdelen van de teksten hieronder. Het Spoel ligt in het buurtschap Goilberdingen. De laatste Voetnoot gaat over het Werk aan het Spoel; het boekje is bij de boekhandel en bij ons te koop voor een bescheiden bedrag.

Op de Boerderij-pad hebben we een selectie voor je gedownload. Er is er ook eentje over de historie van Het Spoel en Goilberdingen. Zie verderop voor een korte samenvatting.

Uit Wikipedia is het volgende stuk afkomstig.

“Culemborg (vroeger ook wel en plaatselijk thans nog Kuilenburg of Kuylenburgh genaamd) is een stad en gemeente in de Neder-Betuwe, in de Nederlandse provincie Gelderland. De gemeente telt 29.129 inwoners (1 januari 2021, bron: CBS) en heeft een oppervlakte van 31,23 km² (waarvan 1,49 km² water). Binnen de gemeentegrenzen ligt de buurtschap Goilberdingen.

De oudste vermelding van Culemborg dateert uit 1281: de plaats werd toen Culenburgh genoemd. In de loop der tijd zijn diverse varianten in gebruik geweest: Kulenborch (1305), Culenborgh (1353), Colemborch (1363), Culemborch (1472). Het eerste deel van de naam verwijst naar een kuil, oftewel een plas water die is ontstaan bij een dijkdoorbraak (vergelijkbaar met een wiel of kolk). Het tweede deel verwijst naar de burcht die rond 1270 nabij de kuil was gebouwd. De naam Culemborg betekent dus ‘burcht aan de kuil.[2

Oorspronkelijk was Culemborg een handelsdorp, gelegen op de stroomrug van het riviertje de Meer en de zuidelijke oeverwal van de Lek. Ten westen daarvan bouwde de heer van Bosinchem (Beusichem) kort voor 1270 een kasteeltje. In de 13e eeuw bouwde Jan II, die zich heer van Culemborg noemde, het Kasteel Culemborg aan de noordzijde van het stadje. Van dit kasteel zijn nu alleen de fundamenten nog over. Even ten zuiden van het stadje lag het kasteel Caetshage.

Op “Sente Nycolausdach” in 1318 ontvingen de poorters van de inmiddels versterkte nederzetting van hun heer, Jan van Bosinchem, stadsrechten waaronder tolvrijheid op de jaarmarkt en het asielrecht. Culemborg werd een Vrijstad, maar dit wil niet zeggen dat iedereen zich vrijelijk kon vestigen. De stad had een eigen rechtspraak. Wie iets op zijn kerfstok had, moest voor schout en schepenen verschijnen en ontliep zijn gerechte straf niet. Hij kreeg echter wel de kans zich te verdedigen. Zolang hij in Culemborg verbleef, werd zijn schuldeiser niet in de stad toegelaten. “Naar Kuilenburg gaan” kreeg later de betekenis van ‘failliet gaan’.

In de 14e eeuw kwam er een stadsmuur en -gracht om ongeregelde bendes en vijandelijke troepen buiten de stad te houden. Tweemaal werd de stad buiten de bestaande muren uitgebreid. Omstreeks 1370 aan de noordzijde met een schipperskwartier, de zogenaamde Havendijk en twintig jaar later aan de zuidzijde waar het dorp Lanxmeer erbij werd getrokken onder de namen Nieuwstad/Nieuwpoort. Zo ontstond een soort “driestad”. Ook de Havendijk en de Nieuwstad werden ommuurd.

Aan de laatste telg van het geslacht Van Culemborg heeft de stad veel te danken. Vrouwe Elisabeth stichtte het Elisabeth-gasthuis, een hofje met huizen voor oude mannen en vrouwen, en schoot het geld voor de bouw van het Stadhuis en de toren van de Sint-Janskerk voor. Uit haar erfenis werd het Elisabeth Weeshuis gebouwd. Dit weeshuis doet nu dienst als museum en bibliotheek.”